|
nummer
|
Wat moet je doen?
|
gedaan
|
nagekeken
|
|
1
practicum |
Voer Cambiumopdracht 2 uit –
Practicum Botten en spieren |
|
|
§ 2.1 - Weten en kunnen
Je moet:
- twee verschillen kunnen noemen tussen het lichaam van een stayer en dat van een sprinter
|
|
2 |
Lees in je leerboek paragraaf 2.1.
Bestudeer de bronnen. |
|
|
|
3 |
Maak een samenvatting van de tekst Wat zijn de verschillen tussen sprinters en stayers op blz 24/25. |
|
|
|
4 |
Maak in je werkboek 3,4 en 8 t/m 12. |
|
|
|
5 |
Leer paragraaf 2.1
Gebruik:
· Weten en kunnen
· Onthoud op blz. 25 van je leerboek
· de paragraaf op een rijtje (werkboek blz.26)
· Je eigen samenvatting
· De samenvatting in je leerboek (blz. 38)
· test jezelf (werkboek blz. 43) of op de methodesite |
|
|
§ 2.2 - Weten en kunnen
Je moet:
- de vier taken van het skelet kunnen noemen.
- de namen van de botten van het skelet kunnen kennen.
- in afbeeldingen van het skelet van andere gewervelde dieren de botten kunnen benoemen.
- weten welke delen van het skelet vooral voor bescherming van organen dienen en welke organen door die delen beschermd worden.
- weten wat het verschil is tussen kraakbeen en been en welke stof voor de stevigheid van been zorgt.
- uit kunnen leggen waardoor oudere mensen makkelijker hun botten breken dan jonge mensen.
- vier plaatsen in je lichaam kunnen noemen waar kraakbeen zit.
- weten waarvoor de kraakbeenschijven in de wervelkolom dienen.
- weten hoe je het beste een zwaar voorwerp op kunt tillen.
|
|
6 |
Maak Cambium opdracht 1 – video Het geraamte |
|
|
|
7 |
Oefen op internet (http://www.bioplek.org > klassen cambium > brugklas) de namen van het geraamte. |
|
|
|
8 |
Maak in je werkboek opdr. 13 t/m17. |
|
|
|
9 |
Lees in je leerboek de teksten Waarvoor dient je skelet en Wat maakt een arm geschikt om te grijpen op blz. 26. |
|
|
|
10 |
Lees in je leerboek de tekst Waardoor is been hard en kraakbeen buigzaam? op blz. 26/27.
Maak een schematische samenvatting. |
|
|
|
11 |
Maak in je werkboek opdr 18 t/m 20. |
|
|
|
12 |
Lees in je leerboek de tekst Waardoor schokt je hoofd niet bij het lopen? op blz. 27. |
|
|
|
13 |
Maak in je werkboek opdr. 21 t/m 25 |
|
|
|
14 |
Lees in je leerboek de tekst Hoe houd je je wervelkolom goed? op blz. 27/28. |
|
|
|
15 |
Maak in je werkboek opdr.26 t/m 28 |
|
|
|
16 |
Lees in je werkboek de verdieping op blz.29.
Maak in je werkboek opdr. 29 en 30. |
|
|
|
17 |
Leer paragraaf 2.2.
Gebruik:
- Weten en kunnen
- Onthoud op blz 28 van je leerboek
- De paragraaf op een rijtje
(Werkboek
blz. 31/32)
- Je eigen samenvatting
- De samenvatting in je leerboek
(blz. 38)
- Test jezelf (Werkboek blz.43/44)
of op de methodesite
|
|
|
§ 2.3 - Weten en kunnen
Je moet:
- vier manieren kunnen noemen waarop botten aan elkaar vast kunnen zitten.
Bij elke manier een voorbeeld kunnen noemen.
- kunnen omschrijven wat met een gewricht bedoeld wordt en weten hoe een gewricht in elkaar zit.
- weten hoe een kogelgewricht en hoe een scharniergewricht eruit ziet , welke bewegingen ermee gemaakt kunnen worden en van beiden voorbeelden kunnen noemen.
|
|
18 |
Lees in je leerboek de tekst Hoe zitten botten aan elkaar op blz. 30. |
|
|
|
19 |
Maak in je werkboek opdr 32 t/m 35. |
|
|
|
20 |
Lees in je leerboek de tekst Hoe werkt een gewricht op blz. 30. |
|
|
|
21 |
Maak in je werkboek opdr. 36, 37 en 40. |
|
|
|
22 |
Leer paragraaf 2.3.
Gebruik:
- Weten en kunnen
- Onthoud op blz 31 van je leerboek
- De paragraaf op een rijtje
(Werkboek
blz. 36)
- Je eigen samenvatting
- De samenvatting in je leerboek
(blz. 38)
- Test jezelf (Werkboek blz. 44)
of op de methodesite
|
|
|
§ 2.4 + plus verdieping (blz.41) - Weten en kunnen
Je moet:
- weten wat de functie van de strekspier en van de buigspier is.
- uit kunnen leggen wat antagonisten zijn.
- weten waarmee spieren vastzitten aan het skelet.
- uit kunnen leggen hoe een spier verandert als deze samentrekt
- uit kunnen leggen hoe spierpijn ontstaat.
- uit kunnen leggen wat het verschil tussen lengtespieren en kringspieren is en van beide typen spieren een voorbeeld kunnen noemen.
- uit kunnen leggen wat het verschil tussen willekeurige en onwillekeurige spieren is.
|
|
23 |
Lees on je leerboek de tekst Waar zitten al je spieren op blz. 32. |
|
|
|
24 |
Maak in je werkboek opdr. 42. |
|
|
|
25 |
Lees in je werkboek de tekst Hoe werken spieren samen? op blz. 32. |
|
|
|
26 |
Maak in je werkboek opdr. 45 t/m 48. |
|
|
|
27 |
Lees in je leerboek de tekst Waardoor ontstaat spierpijn? op blz. 33. |
|
|
|
28 |
Maak in je werkboek opdr. 50 t/m 52 |
|
|
|
29 |
Plus verdieping
Lezen blz. 41 in je leerboek.
Maken opdr. P11 t/m P15 in je werkboek. |
|
|
|
30 |
Leer paragraaf 2.4.
Gebruik:
- Weten en kunnen
- Onthoud op blz 33 van je leerboek
- De paragraaf op een rijtje
(Werkboek
blz. 39)
- Je eigen samenvatting
- De samenvatting in je leerboek
(blz. 38)
- Test jezelf (Werkboek blz. 44/45)
of op de methodesite
|
|
|
§ 2.5 + verdieping (blz. 37) - Weten en kunnen
Je moet:
- weten waarvoor een warming-up en een cooling-down dient.
- twee manieren kunnen noemen om blessures te voorkomen.
- weten wat beschadigd is in het kniegewricht als gesproken wordt van een voetbalknie.
- uit kunnen leggen wat een arts doet als hij een kijkoperatie uitvoert.
|
|
31 |
Lees in je leerboek de tekst Welke blessures aan botten kun je krijgen? op blz. 34. |
|
|
|
32 |
Maak in je werkboek opdr. 55 en 56. |
|
|
|
33 |
Lees in je leerboek de tekst Hoe voorkom je sportblessures? op blz 35. |
|
|
|
34 |
Maak in je werkboek opdr. 59 en 60. |
|
|
|
32 |
Lees in je leerboek de tekst Waarvoor dient een warming-up en een cooling down? op blz. 36. |
|
|
|
33 |
Maak in je werkboek opdr. 61,62 en 63 |
|
|
|
34 |
Leer paragraaf 2.5.
Gebruik:
- Weten en kunnen
- Onthoud op blz 36 van je leerboek
- De paragraaf op een rijtje
(Werkboek
blz. 41)
- De samenvatting in je leerboek
(blz. 38)
- Test jezelf (Werkboek blz. 45)
of op de methodesite
|
|
|
|
35 |
Verdieping
Lezen blz. 37 in je leerboek.
Maken opdr. 64 t/m 67 in je werkboek. |
|
|